TROJE-GOG MAGOG   |   ISMAROS-DOUARNENEZ   |   KUTHERA-LOTUSETERS   |   CYCLOPEN-FOGO,MADEIRA,KAMEROEN   |   AIOLIA-CORVO   |   LAISTRUGONIË-CUBA   |   AIAIA- SCHOUWEN, ZEELAND   |   HADES-WALCHEREN


DE ATLANTISCHE HADES

(WALCHEREN, ZEELAND)

Odysseus' eerste reis, deel 8

Route: Aiaia - Hades - Aiaia


DE HADES

In deel 7 van Odysseus' eerste reis (Atlantisch Aiaia) hebben we gezien dat Aiaia op grond van talrijke plausibele argumenten door de Atlantische auteurs is geïdentificeerd als Schouwen in Zeeland. De laatste reis die Odysseus en zijn maten moeten ondernemen is die naar de Hades, waar zij de nachtelijke mysteriën van de dood moeten meemaken. Pas wanneer deze tocht goed is afgesloten is de initiatie ten einde. Hun rest daarna een traject van testen en beproevingen die, mits goed doorstaan, tot de uiteindelijke inwijding zullen leiden. Deze reeks zware beproevingen staat vermeld in de serie Odysseus' tweede reis.

Gegevens over de ligging
In het volgende  fragment geeft Homeros aanwijzingen over de ligging van Hades ten opzichte van Aiaia -Schouwen:  

  Als je de mast hebt gezet en de witte zeilen hebt staan, blijf
  dan gewoon zitten. De adem van Boreas zal het verplaatsen.
  Als je dan via Okeanos overgestoken bent met je
  schip naar waar de kust laag is en 't woud van Persefone ligt met
  hoge populieren en wilg die zijn katjes laat vallen -
  zet daar je schip op het strand aan de Oceaan met zijn sterke
  tijstroom, maar ga dan zelf naar Hades' schimmelig huis. Daar
  monden de Kokutos, die van het water van Stux weer de ebstroom
  is, en de stroom Puriflegethon uit op de Acheron; daar is  
  'n rots en de samenvloeiing van beide luid dreunende stromen. (10,506 ev)

Hier staat dat Boreas (noordenwind) het schip naar de Hades zal brengen, zodat het ten zuiden van Schouwen moet liggen en niet ten noorden, zoals De Grave (deel I) stelt, die Hellevoetsluis als landingsplaats kiest. Verder moet hij de oceaan opvaren, een zeearm oversteken, de duinen (hoog land) voorbij varen en aan land gaan waar het laag is in een moerasgebied waar waterminnende bomen als populier en treurwilg groeien, 'die zijn katjes verliest' (olesikarpos)1. Het strand ligt ook aan de oceaan, die ter plaatse een sterke en diepe getijdestroom kent (r.511 bathudiné). Daar moet ergens een schimmelige, vochtige domos (dôme, koepel, grot) zijn. De plaats wordt nauwkeuriger aangeduid doordat de dichter zegt dat er twee luid bruisende stromen naar de Acheron toe lopen. Verder staat er een petra (rots, steen). In r.514 geeft Kirke nadere details van de landingsplaats: ze noemt de namen Kokutos, Stux, Puriflegethon en Acheron.

  Toen ging de zon onder; alle wegen werden ook donker.
  't Schip bereikte Okeanos' grenzen met heel diepe stroming,
  daar waar, in mist en nevel gehuld, de Kimmeriërs land en
  stad bewonen. Nooit ziet een felle zon met zijn stralen
  neer op hen, niet als hij hoog opstijgt naar de sterrijke hemel,
  noch als hij weer van de hemel richting aarde gaat, Nee, er
  heerst daar een akelige nacht over stakkers van mensen. (11,13 ev)

Odysseus komt in het donker aan in een grensgebied van de Oceaan bij een diepe geul met een sterke stroming waar een merkwaardig, zielig volk van Kimmeriërs woont, in mist en nevel en akelig duister.
De terugreis naar Aiaia geeft ook nog enige informatie:

  't Tij dreef het schip, stroom mee, de rivier de Okeanos af,
  waarbij wij eerst moesten roeien, waarna er een gunstige bries stond.
  Nadat ons schip Okeanos' stroomrivier achter zich had
  gelaten, de zee met zijn brede wegen en 't eiland Aiaia
  had bereikt, waar zich het huis bevindt van de vroege
  Dageraad, waar haar dansweiden zijn en de zon ook verschijnt, toen
  trokken we, daar eenmaal aangekomen, ons schip op de plaat en
  stapten we zelf ook van boord aan de branding daar van de zee. (11,639 en 12,1 ev)

De rivier moet de zijtak van de Oceaan zijn waaraan het strand lag waar de mannen van boord zijn gegaan en vanwaar het schip de "zee met zijn brede wegen" (= open water van de Oceaan) bereikt. Aan de westkant van Schouwen ligt een zandplaat, vanwaaruit Odysseus en zijn maten de dageraad en de zon zien opkomen.

Identificatie van Hades
Sinds Cailleux zijn de Atlantische auteurs het eens over de identificatie van Hades als het eiland Walcheren in Zeeland. Ook hiervoor zijn talrijke argumenten te geven:
A. De door Kirke genoemde namen:
- Kokutos:

   Kokutos, die van het water van Stux weer de ebstroom is...


Zeeland met Coxie onder Oistburg (Van Debenter 1580)

Op oude kaarten van Zeeland zijn het Cocyxse Gat en het dorp Cocycx te vinden (soms anders geschreven), namen die nu niet meer gebruikt worden (zie kaart uit 1750 en 1580).

Zeeuws Vlaanderen met het Coxijsche Gat (1750)

Cailleux (PA 133) meent dat de Kokutos geen "zijarm" van de Stux is, zoals het Griekse aporrox meestal wordt vertaald, waarbij men een etymologie van aporégnumai - afbreken aanneemt maar dat het woord eerder van apereugo -'terugbruisen/braken' moet worden afgeleid en dan "ebwater" zou moeten betekenen.2 De Stux (stam: Stug-) is dan het "stijgwater", oftewel de vloedstroom van de Honte (=Dullaert op de kaart boven). Ik heb mijn vertaling op Cailleux gebaseerd.
-Acheron: Wilkens (p.262) ziet hierin een samenstelling van Acher (Agger) en Honte, respectievelijk het oostelijke en westelijke deel van de Westerschelde (Dullaert).  De experts zijn echter van mening dat er in de bronstijd geen doorgaande verbinding onder Walcheren naar de Schelde was, maar dat er hoogstens een slufter door de duinenrij bestond die tot aan Biervliet liep met een breedte die niet te vergelijken valt met de huidige Westerschelde. Volgens Cailleux (PA 132) is Acheron echter geen rivier maar een combinatie van asch en hont en zou iets moeten betekenen als "asgrot", een dodengrot, de plek van de doodsmysteriën van de Hades. De Kokutos en de Puriflegethon (water rond Biervliet) stromen in dat geval tegen de Asgrot van Walcheren aan.
-Stux: Volgens Wilkens (259) is dit de Tryx of Stryx die op oude kaarten te zien zou zijn en bij het Zwin in zee uitmondt. De Grave en Cailleux zien in de stam Stug- een afleiding van Stieg, stijgen. De eerste auteur komt met een aantrekkelijke verklaring dat het een "waterstijg" is, een pompsysteem met molens dat het water uit de lager gelegen veenpolders omhoog moest brengen. De Stux zou dan het hoger gelegen kanaal zijn dat bruisend in de Kokutos uitmondt. Cailleux ziet er meer "stijgend water" in, de vloedstroom van de Honte. Deze reinigende vloedstroom zou dan de belangrijke eedsformule voor de goden zijn geworden, aangezien zij bij de Stux zweren, zoals Kalupso in 5,185 zweert op de neergaande ebstroom van het water van de Stux, die de lichamen mee kan sleuren de volle zee, de hel, op om ze voor eeuwig te laten verdwijnen3. Zij geeft met de eed aan dat, mocht zij niet de waarheid blijken te spreken, zij of haar mummie voor eeuwig in zee mag verdwijnen. Dat is een zware eed, die ieder die in de wedergeboorte gelooft niet licht zal zweren. In de Il.8,369 spreekt Homeros van de aipa reëthra Stugos -'de steil stijgende vloedstromen van de Stux', hetgeen de interpretatie van Cailleux verterkt.
-Puriflegethon: deze naam, door Wilkens niet geïdentificeerd, is volgens de Grave (deel I) afgeleid van Fletum of Flevum, de naam van de tweede Rijnmonding (nu Haringvliet). Het voorvoegsel puri heeft geen Griekse maar een Gallo-Germaanse etymologie, die zoals steeds de voorkeur verdient: dus niet van het  Griekse pur -vuur, maar van puur, rein. Samen vormt het ongeveer de naam "Rijnvliet". Het is jammer voor De Grave dat we hier niet aan het Haringvliet zitten maar aan de Honte!
De etymologie van Cailleux is helderder. Het is de vergrieksing van Borvliet (nu Biervliet, voormalig eiland, zie kaart Van Deventer) ten zuiden van Vlissingen. Bor is de vloed, zodat Borvliet "vloedstroom" betekent, hetgeen erop zou kunnen duiden dat in de bronstijd de vloedstroom van de Honte-slufter tot Biervliet reikte. Als volgens Cailleux de Kokutos de ebstroom en de Stux de vloedstroom is van de Honte, dan moet de Puriflegethon de vloedstroom zijn van de geulen rond Biervliet die gevoed worden door Het Zwin.
Omdat we niet weten hoe de geulen en slufters in de bronstijd er uit zagen, is het lastig een helder beeld te krijgen van de ligging van Kokutos, Acheron, Stux en Puriflegethon. Misschien moeten we De Grave en Cailleux combineren en de Stux als uitwateringskanaal bruisend laten uitmonden in de Kokutos, de ebstroom van de Honte, en samen met de Puriflegethon als vloedwater van het Zwin tegen de Acheron laten bruisen. In elk geval zijn alle genoemde namen terug te vinden rond Walcheren en etymologisch verklaarbaar.
In tegenstelling tot De Grave en Cailleux meent Wilkens dat de hierboven omschreven waterrijke omgeving in werkelijkheid niet bestaat maar eerder de veranderde bewustzijnstoestand aangeeft van de noviet, zijn onderbewuste. Hij neemt de namen van de drie rivieren daar in de letterlijke betekenis, als symbool van de onderbewuste angsten: de Puriflegethon is de rivier van het vlammende vuur, de Kokutos van de jammerklachten en de Stux is de angstaanjagende rivier. Alleen de schapen en de kuil zijn echt, de rest is fantasie van de noviet. Ik denk dat dit een te moderne, psychologiserende verklaring is en houdt het liever op de tastbare werkelijkheid van de twee andere auteurs. Bovendien dienen de etymologieën eerder van het Gallo-Germaans dan van het Grieks uit te gaan.
Een fraai voorbeeld daarvan is de etymologie van Walcheren zelf, zoals aangegeven in Deel 7: Aiaia. Walcheren is volgens Cailleux vernoemd naar de haeren (maagden) die daar tijdens de floralia in groten getal vertoefden om tijdens gemeenschap met de elite en erkende helden de wedergeboorte van de oude helden mogelijk te maken. Walcheren is namelijk te herleiden is tot Wal-ach-haeren, waarbij de woorden wal (pelgrimage, Wahlfahrt), ach (eiland, aeg, oog) en haer de betekenis 'Pelgrimseiland van de maagden' opleveren. De Valkyren hebben mogelijk dezelfde etymologie4.

B. De gevolgde route van Aiaia naar Hades
Er zijn drie alternatieven voor Odysseus reis naar de Hades, zie kaart hieronder. De eerste route gaat over de Oceaan. Hij vaart vanuit Brouwershaven de Helion richting zee op, steekt de Oosterschelde ( =Banigert en Vere) over, vaart de duinen van Walcheren voorbij en gaat aan de lage kust bij Vlissingen (Ulyssinga) met zijn diepe getijdegeul aan land, waar twee stromen richting Acheron (Asgrot -Asciburgium) in de Honte samenvloeien, de Borvliet (Puriflegethon) en de Cocyxse (Kokutos), in de slufter die later na doorbraken de Westerschelde is geworden. Aangezien "as" ook "centraal punt, midden" betekent, zou met Asciburgium ook Middelburg aangeduid kunnen zijn (zie kaart route I). Volgens Homeros moet de landingsplaats een moerasgebied zijn waar waterminnende bomen als populier en treurwilg groeien. Dit wordt bevestigd door Caesar die zegt dat in deze streek de Menapiërs 'aaneengesloten bossen en moerassen bewoonden'.5
Wilkens (p.265) wijst erop dat het strand waar Odysseus landt (11,22) en waar zij de ram en ooi aan land zetten nog altijd Rammekens wordt genoemd.
De door Homeros genoemde petra (rots-steen) is volgens De Grave een Steen, een stenen fort, hetgeen wellicht het door Tacitus genoemde Asciburgium is (de Asburcht). Cailleux ziet het eerder als een stenen altaar, conform de mededeling van Tacitus in Germania 3, waarin hij vermeldt dat Odysseus mogelijk de Rijn is opgevaren: 'Overigens menen sommigen dat Ulixes tijdens die wonderbaarlijke tocht van hem ook in deze oceaan terecht is gekomen en dat Asciburgium, dat aan de oever van de Rijn ligt en nog steeds wordt bewoond, door hem gesticht en zo genoemd is. Ja, er zou zelfs vroeger op dezelfde plek een aan Ulixes gewijd altaar zijn gevonden, waaraan de naam van zijn vader Laërtes was toegevoegd.'



In afwijking van de hierboven genoemde route buitenom over zee zijn er nog twee andere mogelijkheden. Cailleux, Gideon en Wilkens kiezen voor een route achterom via het Hel(s)gat. Het schip vaart dan met de vloed mee de Helion op, gaat via een kleine geul, de Agger, naar de Westerschelde en daarna met de ebstroom mee naar Vlissingen (zie kaart route II). Tegen deze route achterom pleit dat het een nodeloos ingewikkelde route in twee etappes is, die weliswaar rekening houdt met het getij maar als zodanig niet door Homeros is aangegeven. De tekst spreekt echt van een zeereis (pontoporouses) en 'via Okeanos oversteken' (r.511), waarbij men met wind achter rustig kan blijven zitten zonder enige manoeuvre te maken, terwijl de tocht landinwaarts nauwelijks een zeereis te noemen is en diverse manoeuvres vereist. Een tweede argument tegen deze optie is al genoemd, namelijk dat het zeer waarschijnlijk is dat de Westerschelde nog niet was doorgebroken en dat de duindoorbraak of slufter slechts tot ongeveer Biervliet of Terneuzen reikte, hoewel deskundigen de aanwezigheid van een smalle geul voor de afwatering van de Schelde niet uitsluiten.
De derde mogelijkheid, een reis binnendoor, heeft grotendeels een zuidelijke koers en valt dus binnen de tekst: men vaart dan tussen Schouwen en Duiveland de Oosterschelde op, onder of boven Beveland door en dan door de geul langs Middelburg naar Vlissingen (zie kaart route III). Deze route veronderstelt enkele manoeuvres en de aanwezigheid van enkele geulen, waarvan wij het bestaan niet met zekerheid kunnen aannemen.
De simpelste route is buiten om en wordt volledig door de tekst gedekt. Ze is ca. 65 km lang en gemakkelijk in één dag varen (ca. 7 uur) te doen, aangezien de mannen ook niet al te vroeg vertrokken kunnen zijn gezien de voorbereidingen, de wandeling naar Brouwershaven en het vaarklaar maken van het schip.

C. De Kimmeriërs
In bovenstaand fragment 11,13 staat dat Odysseus na zijn tocht over de Oceaan bij de Kimmeriërs aankomt. Land en volk van de Kimmeriërs zijn bedekt met mist en nevel: er heerst een voortdurende nacht, waar nooit een straaltje zon is te zien. Het is duidelijk dat hiermee geen bestaand land maar het schimmenrijk van de Acheron wordt aangeduid aan de "Schimmenzee", de (S)kimmenmaer, waar de Kimmeriërs wonen.6 Het zijn "stakkers van mensen" (deiloisi brotoisi), dat wil zeggen dode mensen. Toch hebben de Kimmeriërs hier onder de naam Kimbren wel degelijk gewoond. De Noordzee, de zee aan de uiterste rand van Europa, wordt door Claudianus Cimbrica Thetys genoemd (=Kimmerische Getijdenzee).7 Homeros, die deze streken kennelijk goed kende, heeft in deze passage een grappig bedoelde dubbele bodem gelegd: die "zielige mensen" zijn tevens de bewoners van Zeeland en Holland die in zo'n klimaat van mist en nevel moeten leven!
Van de antieke auteurs die over de Kimmeriërs schreven noem ik speciaal Plutarchus, die hen gelijkstelt met de Kimbren tegen wie Marius te velde trok: '.......terwijl het grootste en meest oorlogszuchtige deel van dat volk, dat aan de randen van de aarde langs de Atlantische Oceaan woonde, land cultiveerde dat grijs en grauw en bosrijk is en nauwelijks zon ziet vanwege de hoogte en dichtheid van de eikenbomen, die naar het binnenland doorlopen tot aan Hercynië (......) waar de dagen op grond van hun lengte of korte duur in vergelijking tot de nacht het jaar in twee gelijke delen knippen. Daarom zou dat Homeros ook goed uitgekomen zijn bij zijn verhaal over het bezoek aan het dodenrijk. Vanuit dat gebied zou de trektocht van die barbaren, die van oorsprong Kimmeriërs heetten, maar heel toepasselijk Kimbren werden genoemd, richting Italië zijn gestart.' Hierin erkent Plutarchus met zoveel woorden dat Homeros een gebied aan de Atlantische Oceaan beschrijft.
Zoals in de Inleiding Kirke is vermeld, was Kirke de zus van koning Aietes van Kolchis, waar ook Kimmeriërs te vinden zijn. Kolchis is dus een kolonie van de Lage Landen, hetgeen volgens De Grave (deel I) verklaart waarom er tot enkele eeuwen geleden rond de Krim een vorm van Nederlands werd gesproken.

D. De tijd van de nachtelijke riten
De Grave (II,67) wijdt nog enkele pagina's aan het precieze tijdstip van deze nachtelijke inwijdingsriten. Homeros zegt namelijk iets over de tijd van het jaar:

  Toen evenwel na verloop van de maanden een heel jaar en vier
  seizoenen óm waren - lange dagen waren voorbij toen -
  riepen mijn trouwe maten mij mee te komen en zeiden.... (10,470 ev)

Deze versregels, die slaan op het vertrek van Odysseus en zijn maten naar Tenedos (Thanet), geven aan dat precies een jaar daarvóór de doodsrituelen bij Hades plaats hadden gevonden. Deze passage wordt door velen opgevat als een formulaire aanduiding voor "de tijd vliegt", die op meerdere plaatsen voorkomt. De Grave meent op basis van de mededeling dat de lange dagen voorbij waren echter dat de inwijding van Odysseus in de nacht van het wintersolstitium, op 25 december, heeft plaatsgevonden. De Kelten (Gallo-Germanen), die de tijd indeelden in nachten en de dag om middernacht lieten beginnen, lieten het nieuwe, heilige jaar dan om middernacht beginnen, en noemden die langste nacht modraneit (=moedernacht), hetgeen volgens Scaliger betekent dat zij een perfect zonnejaar kenden van 365 dagen en 6 uur, aangezien zij anders nooit op dezelfde dag konden beginnen met het nieuwe jaar.8 Rome mag de Kelten barbaren noemen, zij hadden meer kennis op dit gebied dan de Romeinen zelf! Deze nacht was gewijd aan de mysteriën van leven en dood, waarin de noviet sterft en een nieuw leven aanneemt, zoals Odysseus volgens Kirke ook 'tweemaal sterft'. Odysseus had een kleine dag varen nodig om van Aiaia (Schouwen) naar Acheron (Walcheren) te varen en komt aan het begin van de avond aan. Dan begint de religieuze ceremonie die een deel van de nacht duurt. Tijdens diezelfde nacht nog varen zij terug naar Aiaia, waar zij Helios in het oosten van de Helion zien opkomen. Door de lange duur van de nacht geeft Homeros aan dat het de modraneit was in hartje winter, als de nachten dubbel zo lang zijn. Dit is tevens een bewijs dat we de mysteriën van Kirke rond de 50ste breedtegraad moeten zoeken waar de nachten zo lang zijn en waar de Kimmerische duisternis door de antieke auteurs wordt geplaatst. De Grave wijst nog op een parallel in Gent, waar de Korte Dagstege bestaat, de "steeg van het wintersolstitium", hetgeen wijst op een oude mysteriecultus ter plaatse.

E. De terugkeer
De in fragment 11,639 en 12,1 ev (zie boven) genoemde rivier de Okeanos is de huidige Westerschelde bij de Wielingen, Galgeput en Oostgat, een zijtak van de oceaan, die met de laatste ebstroom het schip  wat stuwkracht geeft. De wind zit echter tegen, waardoor zij aanvankelijk moeten roeien vanwege de kentering van het tij of vanwege een zuidwesten wind, die zij na het ronden van Walcheren stuurboord om mee krijgen. Daarna wordt wederom de route buitenom afgelegd: Odysseus vaart langs Walcheren 'de zee met de brede wegen (=zeegaten) op', waarmee de Oosterschelde en de Veere zijn bedoeld, en zet zijn schip bij Schouwen op een zandplaat. Van daaruit kijken ze naar het oosten waar de dageraad en de zon opkomen. Wilkens ziet hierin nog een symbolische betekenis: de ingewijde komt vanuit de onwetendheid en duisternis naar het licht van de kennis (p.271).

Waar trekken ze de schepen op het strand?

  Snel hakten wij wat bomen en voerden bedroefd op de kust die
  't hoogst daar oprees het grafritueel uit, terwijl we luid snikten.
  Toen de dode met al zijn wapens verbrand was, toen wierpen
  wij een grafheuvel op; we sleepten een grafsteen omhoog en
  plantten zijn eigen handzame riem op de top van de heuvel. (12,11 ev)

Aan de uiterste westkant van Schouwen ligt een grote zandplaat, de Bangert of Banjaard genaamd, hier aangeduid met psammatois -'zanden, grote zandplaat', daar waar de kust de hoogste duinen heeft (r.11). Het woord akté -'kust, kaap' kan ook op "kapen" slaan: houten bakens die ten behoeve van de zeevaarders op de hoogste en meest in zee vooruitspringende duinen werden geplaatst. De kust van Schouwen stak in het verleden ook veel verder in zee. De Banjaard is af te leiden van bonegaarde -bottenplaats, en was kennelijk een begraafplaats die toen deel uitmaakte van Schouwen. Daar wordt dan ook voor Elpenor een grafheuvel opgericht.

Op basis van alle genoemde argumenten valt te concluderen dat de identificatie van Hades met een plaats op Walcheren, Asciburgium of Ulissinga (Middelburg of Vlissingen), waar de Kimmeriërs of Kimbren woonden, zeer aannemelijk is.

De nachtelijke mysteriën

  Hier hield Eurulochos met Perimedes de dieren voor 't offer
  vast, terwijl ik mijn scherpe zwaard van mijn dij trok en daarmee
  'n kuil groef van één el lang en evenzo breed; eromheen goot
  ik toen voor alle doden een plengoffer uit, dat bestond uit
  honingdrank eerst, daarna zoete wijn en vervolgens, als derde
  vloeistof, water en daarover strooide ik wit gerstemeel. Ik
  riep toen een tijd lang de zielloze schedels op en beloofde
  dat ik, in Ithaka terug, de beste kalfloze koe zou
  slachten bij mij in huis en een altaar zou vullen met gaven;
  verder dat ik voor Teiresias zelf een pikzwarte ram
  apart zou slachten, de mooiste die uitstak onder de schapen. (11,23 ev)

-De oproeping van de doden begint met het graven van een kuil (r.25 ev) van 70 x 70 cm. Volgens Cailleux (PH 404) is dit het Gat van Ulysses, de Ulysses-sincke, waarvan hij Vlissingen afleidt, en hij verbindt er de verhalen over de Fossa Othiana (Gat van Othin?) mee, die volgens oude boeken in dit gebied gelegen zou moeten hebben en waaraan menige dissertatie is gewijd. Het gaat daarbij wel om een en hetzelfde Gat van Ulysses, aangezien de namen Othin, Odin en Odysseus gelijk zijn. Het is echter een mystiek gat dat Odysseus ooit groef, waarnaar men tevergeefs zal zoeken. In Zeeuws-Vlaanderen komt wel een Otheense Kreek voor, een naam die een vertaling lijkt van Fossa Othiana. Het was een uitloper van de Honte en heeft waarschijnlijk niets met het Gat van Odysseus te maken.
-In dit gat stort hij drie vloeistoffen, waarna hij met gebeden en beloftes aan de 'zielloze schedels' (r.29) die in Hades' grot lagen opgestapeld de doden oproept. In deze Acheron, de asgrot, dodengrot of knekelhuis, liggen de botten, skeletten en schedels van de roemrijke doden, voormalige helden, koningen en priesters opgestapeld, wachtend op de wedergeboorte9. We hebben hier te maken met een heiligencultus. De botten en schedels zijn zielloos, zodat de zielen door middel van een bloedoffer moeten worden opgeroepen. Pas wanneer de twee dieren zijn geslacht (zwart ter ere van de doden) verschijnen er geesten en begint het necromantische spektakelstuk (De Grave II). De andere naam voor Hades is Pluto, waarin de Gallo-Germaanse stam bluta -bloed zit. Het nachtelijke bloedoffer start de inwijdingsceremonie. Er verschijnen massa's mensen, vrouwen en mannen van alle leeftijden, die luid gillend en krijsend uit de grond rond de graven op het kerkhof omhoog rijzen, een zware beproeving voor de novieten in deze pikdonkere nacht. Zelfs Odysseus wordt bang maar laat zich niet intimideren. Hij laat de dieren villen en verbranden en bewaakt de kuil met hetzelfde zwaard waarmee hij trouw aan de kerk van Kirke had gezworen.
-Wat zijn de schimmen? Volgens Cailleux dacht men dat de dood een scheiding teweegbracht tussen ziel en geest (anima en animus) en dat deze twee zich bij de reïncarnatie in een nieuw lichaam verenigden. Deze opvatting is juist, wanneer je "ziel" opvat als "levensbeginsel", maar het is niet bewezen dat men in de verre oudheid dacht dat deze ziel een entiteit vormde die als een schim om de dode heen zweefde. De Grave verwerpt ook rituele betekenisverschillen tussen psyche en eidolon (anima en animus), waarbij het eerste begrip een materiële essentie zou hebben en het tweede alleen een geest is die naar de hemel gaat. Homeros spreekt ook slechts van 'schaduwen, schimmen'.10 Alleen Herakles komt als een eidolon, een beeld, naar voren, aangezien zijn essentie reeds in de hemel is opgenomen.
-De Grave's theorie over de aard van de mysteriën is interessant. Hij meent dat er tijdens Odysseus' verblijf op Walcheren in het donker een onschuldig schimmenspel (son et lumière) met talrijke figuranten wordt opgevoerd, dat grote indruk maakt op Odysseus en zijn mannen maar vooral bedoeld is om de dogma's van Kirke in te prenten over de onsterfelijkheid van de ziel, die wacht op de wedergeboorte, en over de beloning en bestraffing na de dood voor het gedrag op aarde. De schimmen van de onderwereld zijn dus figuranten die luid piepend tussen de graven van het grote kerkhof, de Erebos, oprijzen, terwijl Herakles een eidolon, een lichtprojectie is. De mysteriespelen werden in grotten of holen in een donkere nacht (dus bij nieuwe maan) gehouden. Odysseus betreedt de grot niet maar neemt er vlakbij plaats om van daaraf de mysterievoorstelling die vanuit de grot wordt opgevoerd te aanschouwen. Wilkens geeft echter een meer psychologiserende verklaring en beweert als achtergrond bij dit spektakel dat de noviet een toestand moest doormaken van 'klinische dood' waarbij de mysticus, in zijn laatste fase, stapsgewijze naar het ervaren van de transcendente werkelijkheid van zijn eigen wezen wordt gevoerd.
-Zo verschijnen er achtereenvolgens allerlei schimmen aan Odysseus met wie hij gesprekken aangaat. Voor verdere details verwijs ik naar de aantekeningen bij boek 11. Voor het inwijdingsverhaal is echter één figuur van belang, en wel de eerste en kennelijk belangrijkste die verschijnt, de schim van Elpenor:

  Onder mijn makkers was ene Elpenor, de jongste matroos, niet
  al te sterk in de strijd, die qua intellect niet hoog scoorde.
  Hij was, op zoek naar koelte, zonder zijn maten op 't dak van
  Kirke's heilige huis gaan slapen, beneveld door wijn; maar
  toen zijn maten actief werden, hoorde hij herrie en leven,
  sprong toen plotseling op en vergat in zijn hoofd te bedenken
  terug naar de lange trap en dan naar beneden te gaan. Hij
  viel regelrecht van het dak en brak zijn nek bij de wervels.
  Toen vertrok zijn ziel naar de donkere woning van Hades! (10,552 ev)

Deze merkwaardige episode van Elpenor, die vlak voor het vertrek naar de Hades van het dak af stort zonder de ladder te gebruiken, wordt door Wilkens (p.282) aldus verklaard: 'In de Odyssee is de jonge Elpenor die te pletter valt eenvoudig het alter ego van Odysseus, zijn eigen oude persoonlijkheid die hij moest opgeven om na zijn inwijding op het eiland Hades een nieuwe persoonlijkheid te worden'. De etymologie van de naam Elpenor onderbouwt de stelling over het 'alter ego'. Hij is af te leiden van elpis -'hoop, verwachting' en anér -man en betekent dus "Hoopmans, de man van wie veel verwacht wordt".
De makkers waren door de komende reis naar de Hades zo in beslag genomen dat ze het lijk van Elpenor maar hadden laten liggen. Dat lijkt erger dan het is, want als we deze theorie van Wilkens volgen, lag daar alleen het alter ego van Odysseus ter aarde! De ontmoeting met Elpenor vóór de Hades is als het ware een dialoog tussen de twee Odysseusen. De oude Odysseus, Elpenor, 'was beneveld door de wijn', dat wil zeggen: hij gaf zich te veel over aan lusten (11,61) en werd door een goddelijk lot getroffen, dat wil zeggen door de onontkoombaarheid van de inwijding en transformatie. Homeros lijkt hier te verwijzen naar de ladder van inwijding die negen sporten telde. 'Deze ladder symboliseert de verbinding tussen de hemel en de aarde.'. Het is ook onmogelijk om de lange ladder van de inwijding af te dalen, omdat de noviet al teveel kennis en inzichten heeft vergaard. De oude persoonlijkheid moet dus wel zijn wervels breken. Het feit dat Elpenor alle familieleden van Odysseus aanhaalt bewijst dat het hier om Odysseus zelf gaat.

  Nee, verbrand me met alle wapens die ik bezat en
  richt op een duin bij de grijze zee een grafheuvel op voor
  deze arme stakker, die ook in de toekomst te zien blijft.
  Breng dit ten uitvoer en zet alstublieft de riem op het graf
  waarmee ik ook roeide tijdens mijn leven tezaam met mijn maten!"
  Aldus Elpenor, maar ik gaf hem toen het volgende antwoord:
  "Arme jongen, dat doe ik voor jou, ja dat zal ik verrichten."
  Zo zaten wij daar een treurig gesprek te voeren, waarbij ik
  zelf op een afstand mijn zwaard beschermend boven het bloed hield.
  Hij, de schim van mijn makker, bleef aan zijn kant maar staan praten. (11,74 ev)

De oude Odysseus moet echter nog wel officieel dood verklaard en ten grave gedragen worden. Boven op het graf moet de roeiriem gestoken worden als teken dat hij zijn oude zwervende zeemansbestaan heeft opgegeven. De laatste regel geeft eigenlijk de tweestrijd weer die Odysseus voelde: enerzijds is zijn zwaard het symbool van de nieuwe mens in de nieuwe rationele en morele religie, maar zijn innerlijke stem blijft maar babbelen. Aangezien we deze theorie van het alter ego in alle details kunnen toepassen, is de juistheid ervan zeer aannemelijk.
-De laatste held die Odysseus tegenkomt is het "beeld" van Herakles, zie boven en Inleiding Herakles. Wanneer deze na het gesprek het huis (grot) van Hades weer ingaat, betekent dat het einde van het inwijdingsritueel. Hij had graag nog roemruchte schimmen gezien en dat zou ook gebeurd zijn

  .... ware het niet dat ontelbare zwermen schimmen uitzinnig
  krijsend verschenen, zodat ik bleek werd van angst dat de fiere
  vrouwe Persefoné 'n spookachtig hoofd van een reuzen-
  monster uit 't huis van Hades direct op mij af wilde sturen.
  Daarop liep ik meteen naar het schip en beval mijn matrozen
  zelf ook aan boord te gaan en de achterkabels te lossen. (11,632 ev)

De figuranten komen nogmaals massaal gillend en schreeuwend op om Odysseus en zijn makkers angst aan te jagen en te dwingen te vertrekken. In r.635 wordt vermeld dat Odysseus bang is dat het "Gorgeia-hoofd" op hem af wordt gestuurd. In de Orfische traditie betekent dit hoofd echter het gezicht van de maan en is de vermelding hier een teken dat het tij gaat veranderen en het bijna vloed wordt. Dan wordt Odysseus' angst begrijpelijk: ze moeten namelijk snel weg om nog met de laatste ebstroom of bij de kentering het zeegat uit te varen. Dit lijkt mij een aannemelijke verklaring.11

Samenvatting: het bloedoffer dat Odysseus brengt roept een grote hoeveelheid schimmen (schaduwen) op, hetgeen door De Grave wordt gezien als een onschuldig maar angstaanjagend schimmenspel, bedoeld om de religie van de wedergeboorte aanschouwelijk te maken. Elpenor is een van de belangrijkste verschijningen, die gezien moet worden als het alter ego van Odysseus die gestorven is en nog ten grave gedragen moet worden. Van nu af is Odysseus begonnen aan een nieuw levenstraject dat uiteindelijk resulteert in zijn "wedergeboorte" als priester-koning van Ithaka

Terugkeer op Aiaia
Na de landing op de zandplaat de Banjaard wordt Elpenor bijgezet met zijn roeiriem en wapens. Deze grafheuvel moet, als we Wilkens' theorie over het 'alter ego' van Odysseus volgen (zie boven), een cenotaaf, een leeg graf, geweest zijn. Het was immers de oude Odysseus die daar werd bijgezet en die daarmee symbolisch afscheid nam van zijn oude leven als strijder en zeeman. Omdat er dus geen sprake is van een echt lijk en de maten ook niet naar Kirke zijn gegaan om iets op te halen (de wapens en de roeiriem waren uiteraard nog op het schip), worden de regels 15/16 ook begrijpelijk, waarin staat dat het Kirke niet ontging dat zij van de Hades waren teruggekomen. Wanneer ze een lijk waren komen ophalen, had Kirke dat meteen al begrepen en zou deze frase overbodig zijn.

  Wij waren druk met dit alles bezig, maar Kirke ontging het
  uiteraard niet dat wij terug van de Hades waren. Ze kwam heel
  snel, toen zij alles had voorbereid. Brood, een hoop vlees en dieprode,
  fonkelende wijn had zij bij zich, door dienaressen gedragen. (12,16 ev)

Nu de oude Odysseus begraven is, is het tijd om het eind van de initiatieriten feestelijk te vieren. De frase 'waar haar dansweiden zijn' (12,4, zie boven) wijst al vooruit naar het feest dat zij als nieuw-ingewijden mogen gaan vieren. Op deze weiden dansen de horai (haeren-houri's) die wachten op de nieuwe helden en hier worden aangeduid met 'dienaressen'.
Aiaia is dus de plek voor de ontspanning van de ingewijden, die 'aan de weg naar het rijk van Pluto wonen'12 en tevens de wieg van de Muzen, aangeduid door de 'dansweiden'. Volgens Pausanias (9,29) is de Helikon namelijk het huis van de Muzen, een naam die te herleiden is tot He(i)lik Hom, dat wil zeggen Heilig Huis: het huis aan de Helion, het (H)Elusium, het complex van Kirke op Aiaia. De Elusische wetgevers bepaalden dat na een werkweek de zondag gebruikt werd voor hymnen aan de schepper (de zon) als dank voor de bewezen weldaden, waarbij instrumenten werden gebruikt zoals de lier van de zonnegod Apollo (De Grave II, 70 ev). Daaruit zijn de muziek en de spelen ontstaan als uitingen van de kunstenaressen aan de Maas (Muzen).
Nu de inwijding met het bezoek aan de Hades voltooid is, hebben Odysseus en Kirke voor de laatste keer een "leraar-leerling-gesprek" terwijl ze naast elkaar op het strand liggen, ver van de anderen.13
De opleiding in de gnostiek mag dan voltooid zijn, de beproevingen zijn nog niet ten einde. Na de schoolse lessen volgt de gevaarlijke praktijk en nog zeven jaar eenzame studie bij Kalypso. Daarna ondergaat Odysseus zijn laatste beproeving, de dood door verdrinking, maar komt uiteindelijk met behulp van Athene veilig en wel bij de Faiaken aan. De ultieme beproeving is dan op een succesvolle wedergeboorte uitgelopen.

Latere tradities
Dit indrukwekkende inwijdingsverhaal speelde niet alleen in de Gallo-Germaanse wereld een belangrijke rol maar is later in de christelijke ceremonies voortgezet (zie PA 284 ev). De belangrijkste elementen van de Gallo-Germaanse inwijding zijn: het geloof in een wedergeboorte als een "nieuw en veranderd" mens, die plaatsvindt door en in het reinigende water van een getijderivier, die op veel plaatsen wordt aangeduid met Jean, Janus, Oannes, Johannes etc., de godheid met de twee hoofden van eb en vloed. In het geval van Odysseus is er sprake van:
- een misdaad, namelijk het blind maken van de zoon van Poseidon, de Cycloop Polufemos.
- een samenstel van winden die tegen hem worden opgezet
- bijna-verdrinking in het zoute water en het overdekt zijn met een zoutlaag
- een reinigend bad in zoet water.
- een laag beschermende olie
- nieuwe kleren
- brood en wijn (eten en drinken)
Deze elementen zijn in de christelijke doopceremonie allemaal terug te vinden. Uiteraard is er sprake van een wedergeboorte, een verandering en vernieuwing van de mens door de reinigende doop in zoet water, zoals door Johannes de Doper werd gepraktiseerd. Daarnaast zijn de specifieke elementen van Odysseus' inwijding er ook aanwezig:
- de priester blaast over het gewijde doopwater;
- legt wat zout in de mond van de dopeling;
- giet bij gebrek aan een stromende rivier zoet water over het hoofd uit een kelk of bij voorkeur zeeschelp, die de vloedmonding van de rivier voorstelt, of doopt de dopeling van top tot teen in het zoete water, zoals Christenen nog steeds doen in de Jordaan;
- zalft hem met olie;
- de dopeling is gekleed in speciale nieuwe doopkleren;
- er wordt brood en wijn genuttigd tijdens de eucharistieviering.
De "misdaad" die uitgeboet moet worden is in het christelijke geloof de zogenaamde erfzonde, die door Adam en Eva zou zijn begaan.

Na al zijn beproevingen wordt Odysseus, de dopeling en veranderde man, als een god door de Faiaken onthaald, zie ook Inleiding Scheria. De meest opmerkelijke regels die de volledige inwijding van Odysseus aangeven zijn 13,90 ev, wanneer Odysseus door de Faiaken met hun racetaxi naar Ithaka wordt teruggebracht:

  Zo doorsneed het in razende vaart de zeegolven, met aan
  boord een man die de goden in wijsheid gelijk was en vóórdien
  zeer veel leed in zijn hart had doorstaan, toen hij legers en oorlog,
  vreeslijke deining en golven op zee moest trotseren. Maar toen, op
  dat moment sliep hij vredig; vergeten was alle ellende.

Conclusies
De situering van de Hades op Walcheren is aannemelijk. Niet alleen zijn alle door Kirke genoemde  namen Kokytos, Stux, Acheron en Puriflegethon daar te plaatsen en etymologisch te verklaren, maar maken met name de fragmenten van Plutarchus over de Kimmeriërs, van Caesar over de Menapiërs en van Tacitus overe Asciburgium duidelijk dat we in het goede gebied zijn aangeland: Zeeland. Alle andere gegevens van Homeros, zoals de voor velen onbegrijpelijke dubbele vermelding van Okeanos en de rivier de Okeanos, de zandplaat bij Aiaia, de windrichting, de route, de tijd en de 50ste breedtegraad met zijn wisselende dag- en nachtlengtes zijn in dit gebied logisch te plaatsen. Archeologische vondsten, die in de Inleiding Kirke zijn opgesomd, bevestigen deze identificatie.
Boek 11 blijkt het centrale boek van de gehele Odyssee te zijn, waarin Elpenor, de oude Odysseus, sterft en ten grave gedragen wordt en een nieuw levenstraject begint als een ingewijde in de religie van de wedergeboorte, gesymboliseerd door  Kirke en Nehalennia. Vreemd genoeg proberen de meeste commentatoren dit elfde boek weg te moffelen als een hinderlijke onderbreking van de avonturenroman. De reden daarvoor is dat zij niet inzien dat de Odyssee drie gelaagdheden bezit, waarvan de belangrijkste de diepere laag van het inwijdingsverhaal is. De impact van dit verhaal wordt duidelijk als we inzien dat latere inwijdingsrituelen, zoals de christelijke doopplechtigheden een herinnering vormen aan het inwijdingstraject van Odysseus.
Na de doorstane angsten is het feest, waarbij de Horai (de dienaressen) en Kirke zelf een rol spelen, Zij vormen de beloning voor de ingewijde en symboliseren tevens als de Muzen van de Maas de kunsten dans en muziek.
Op de initiatie volgt echter nog een traject van tests en beproevingen. Pas wanneer die goed zijn doorstaan is er sprake van een "man die in wijsheid gelijk is aan de goden". Deze beproevingen vormen onderdeel van de serie Odysseus' tweede reis.


Noten:
1. Volgens De Grave zijn het geen populieren maar elzen, een woord dat samenhangt met hel >(h)elshout. Beide bomen duiden op de treurige dood. Wilg is in het Latijn salic-, van 'zalig = dood'.
2. Cox (Sp.) = eb (van cocear -terugtrekken).
3. Het Griekse woord "kat-eib-omenon" heeft de stam "eb" in zich en betekent dus: "neergaand, wegebbend"
4. Valkyren zijn de noordelijke minnaressen van gestorven helden: Wilkens p.262.
5. 'continentes silvas ac paludes habebant'.
6. De begin -s- valt soms weg, zoals bij Skelten >Kelten en Schouwen >Coünos, Chaonië.
7. Claudianus De bello Gothico. De godin Thetys is het symbool van de tidt = getij.
8. Scaliger De emendatione temporum. 1593 Leiden, p.171 (Google-books).
9. De Grave p.34 en PA 132 en 139 en PH th.15.
10. Zie 10,495 en 11,207: 'zijn moeder ontglipte zijn handen als een schaduw'.
11. De Grave heeft een andere opvatting over het Gorgeia-hoofd (II,58): het zou staan voor "goddelijke kennis" aangezien de naam van de Gorgoon Medusa 'Wijsheid' betekent. Odysseus zou hiermee aan de Faiaken aan wie hij dit hele verhaal vertelt willen aangeven dat hij geen goddelijke kennis had opgedaan, om zo te voorkomen dat zij hem geheime informatie zouden willen ontfutselen. Deze verklaring lijkt mij veel te kunstmatig.
12. Zie ook Aristofanes Kikkers,154 ev: 'En daarna word je door fluitmuziek omringd, je zult een helder licht zien en gelukzalige groepen mannen en vrouwen, die luid in hun handen klappen. Dat zijn de ingewijden!'
13. Voor de betekenis van de seksuele relatie van Odysseus en Kirke zie Atlantisch  Aiaia.


Afkortingen voor de boeken van  Th. Cailleux:
OC  Origine celtique de la civilisation de tous les peuples
PH  Poésies d' Homère
PA   Pays Atlantiques, decrit par Homère

H.O. = Homeros Odyssee, De zwerftochten van Odysseus opde Atlantische Oceaan, ed. G.W.J.Janssen. Leeuwarden 2018
Citaten van Homeros: Romeinse cijfers = Ilias, bv  XX,345; Arabische cijfers = Odyssee, bv. 13,34.

Odysseus' Eerste reis
- deel 1: Troje- Gog Magog Hills, Engeland
- deel 2: Ismaros en Kikonen - Bretagne
- deel 3: Lotophagen - Senegal
- deel 4: Cyclopen - Fogo, Kameroen, Madeira
- deel 5: Aiolia en Aiolos - Corvo (Azoren)
- deel 6: Laestrygonië - Cuba, La Havana
- deel 7: Aiaia en Kirke - Schouwen, Zeeland

Odysseus' Tweede reis
- deel I:   Tenedos-Thanet en de Seirenes;
- deel II:  Skulla, Charubdis -St. Michael's Mount
- deel III: Thrinakia-Cornwall
- deel IV: Ogygia- Azores, Kalupso;
- deel V:   Scheria-Lanzarote;
- deel VI: Ithaka-Cádiz, Jérez